De kracht van goed gezelschap

Mini-essay van Harry Kunneman

 

Inleiding
Het is duidelijk dat de mensheid zich in een benarde situatie bevindt. Autoritaire en door macht geobsedeerde wereldleiders, industriële en financiële elites die geen middelen schuwen om hun zelfverrijking veilig te stellen, in combinatie met zwakke politici die koersen op korte termijn-succes bij hun potentiële kiezers: hand in hand slagen zij erin om de grote problemen van onze tijd te verdringen en die daarmee erger te maken in plaats van ze onder ogen te zien en daadwerkelijk aan te pakken.

In deze somber stemmende situatie is het belangrijk om zicht te houden op de bemoedigende ontwikkelingen die er ook zijn, zij het grotendeels buiten de schijnwerpers. Ik zie die bemoedigende ontwikkelingen vooral in de wisselwerking tussen nieuwe ideeën en nieuwe verbeeldingskracht op cultureel en maatschappelijk niveau, en een aantal micro-praktijken die daar mede door geïnspireerd zijn en helpen om die ideeën te aarden en bij te stellen. .

In dit mini-essay richt ik me op vooral op één van die bemoedigende ontwikkelingen, namelijk de opkomst van relationeel denken en handelen, zowel in de filosofie, in de ethiek en in een aantal wetenschappen als in concrete praktijken, met name in de zorg, in de GGZ, in het sociaal domein, in het onderwijs en, lest best, in de biologische en regeneratieve landbouw.

Het algemene kenmerk van dit relationele denken en handelen is het weg bewegen van de elementaire eigenschappen en van reductionistische verklaringen, naar de complexiteit van relaties. Dat klinkt abstract, maar heeft grote consequenties, met name voor het denken over de relaties tussen levende wezens onderling.

Deze verschuiving leidt niet alleen tot een andere visie op kennis en wetenschap, maar heeft ook belangrijke ethische implicaties. Wanneer de complexiteit van de relaties tussen levende wezens wordt gereduceerd – of het nu om mensen of andere levensvormen gaat – dan heeft dat direct ethische gevolgen.

Die gevolgen zijn direct zichtbaar wanneer anderen ons overheersen en met behulp van sancties en geweld hun eigen zin doorzetten, of wanneer zij altijd beter weten wat goed voor ons is dan wijzelf, of wanneer zij ons openlijk of bedekt beschuldigen van dingen die eigenlijk op hun eigen bord liggen, of ons verwaarlozen, uitbuiten, discrimineren of uitsluiten, dan wordt de complexiteit van onze persoon op pijnlijke wijze gereduceerd.

Dan snoeren zij ons in hun eigen kaders in en beperken daarmee ook de bandbreedte van wat zij met ons zouden kunnen beleven en wat zij van ons zouden kunnen leren. Vrij naar Jessica Benjamin: verrijkende relaties tussen levende wezens vereisen de afwezigheid van controle. Verhoudingen tussen levende wezens onderling kunnen zogezien relationeel verrijkend, maar ook bijzonder verarmend zijn.

Goede voorbeelden van verrijkende relaties bieden het relationele netwerk tussen schimmels en planten, of tussen goede vrienden, of tussen minnaars, of tussen improviserende musici, of tussen mensen die fijn met elkaar samenwerken. Dergelijke verrijkende, complexiteit-openende relaties, staan in het teken van gelijkwaardigheid, van wederkerigheid en van het samen met vallen en weer opstaan floreren, inclusief het onbevreesd aangaan van onvermijdelijke spanningen en conflicten en het waar nodig opzoeken van leerzame wrijving. Dergelijke verrijkende relaties vormen in mijn ogen de relationele bodem waarin levende wezens kunnen wortelen en gedijen.

Maar in onze tijd worden de complexe relaties tussen planten, insecten en vogels en de voedende relationele weefsels in de bodem even zwaar aangetast als de relaties tussen mensen onderling. De relationele bodem van de kapitalistische prestatiemaatschappij is zwaar verarmd. Het moderne individualisme dat daarbinnen domineert, staat in een gespannen verhouding tot relationele complexiteit, omdat het de prestaties en het individuele geluk van individuen op de voorgrond plaatst en de relationele bodem die hen voedt tegelijkertijd aantast en aan het oog onttrekt.

In een beroemd essay uit de jaren dertig van de vorige eeuw heeft Sigmund Freud het toen al breed ervaren ‘onbehagen in de cultuur’ in verband gebracht met de maatschappelijk opgelegde onderdrukking van libidineuze verlangens. In mijn ogen gaat dat onbehagen vooral terug op de complexiteitsreductie in onze onderlinge relaties en op de daarmee verbonden verarming van de relationele bodem van ons bestaan.

Daarom bepleit ik om het zwaartepunt in ons denken en handelen te verschuiven van de persoonlijke ontplooiing en het geluk van individuen naar het floreren van gezelschappen, waar personen door gedragen worden doordat ze er actief aan bijdragen. Dat doen ze door goed gezelschap te zijn met, voor en door anderen, zowel met mensen als met andere levensvormen. Goed gezelschap kan in het licht van het voorafgaande omschreven worden als het samen steeds opnieuw oproepen van relationele complexiteit, in combinatie met de bereidheid om die te herstellen wanneer die in de onderlinge omgang plaatsmaakt voor controlerende reductie.

(tekst gaat door onder de afbeelding)

Een concreet voorbeeld: gezelschappelijke psychiatrie
Om deze algemene bespiegelingen wat meer te aarden en de betekenis van de rationele wending in de praktijk te concretiseren, ga ik wat dieper in op het nieuwe boek van Gert Schout, Mijn broeders hoeder. Naar een gezelschappelijke psychiatrie. De centrale stelling van Schout luidt dat de huidige GGZ een arme relationele bodem biedt voor het herstel van mensen die worstelen met de verarming van de relationele bodem in de hedendaagse samenleving. Het is hier vlek op vlek.

Mensen worstelen vanuit die relationele armoede met hun ‘identiteit’ of raken in de war, en zoeken dan hulp bij een GGZ die grosso modo zelf gekenmerkt wordt door beperkte, weinig complexe en relationeel arme verhoudingen en door de dominantie van de bijbehorende individualiserende zelfbeelden. Dat geldt met name voor de biologische psychiatrie en voor alle psychologische hulptroepen daarvan. De betrokken, relationeel gevoelige hulpverleners in het ‘eerste gebouw’ niet te na gesproken, geldt vrees ik voor veel psychiaters en psychologen in de GGZ dat zij vanuit hun opleiding met brein-taal in hun hoofd, de DSM-categorieën in hun hand en pillen op tafel actief meewerken aan de individualisering van problemen die voor een groot deel een maatschappelijke herkomst hebben.

Zoals Schout schrijft: “Weinig hulpverleners, therapeuten of coaches vragen zich af of ze met hun werkwijze niet onbedoeld de hyperindividuele leefstijlen mede mogelijk maken die onder de toeloop naar professionele hulp ligt.” Daar komt nog een tweede probleem bij. De GGZ richt zich volgens Schout vooral op het ‘laaghangende fruit’: de meeste aandacht gaat uit “naar enkelvoudige problemen die relatief goed te verhelpen zijn met een individualiserende en medicaliserende aanpak…Jaarlijks doen 1,3 miljoen mensen een beroep op de GGZ. Echter, hoe complexer de problematiek, hoe langer de wachttijd, zo constateert de rekenkamer.” (Schout 2025, p. 18/19)

Tegen deze achtergrond schuilt de grote betekenis van het boek van Schout in het feit dat hij niet alleen kritiek levert, maar ook een alternatief ontwikkelingspad schetst. Hij pleit voor een gezelschappelijke psychiatrie en licht de inhoud daarvan toe aan de hand van de metafoor van ‘twee gebouwen’ in de psychiatrie.

Met het ‘eerste gebouw’ doelt hij op de organisatie en inrichting van gangbare GGZ-instellingen: “In het eerste gebouw regeren transacties, in de vorm van contracten, zorgprogramma’s, checklists, flowcharts, protocollen, schriftelijke afspraken en toestemmingen. Behandelingen beginnen pas als de indicaties rond zijn en de instemmingsformulieren getekend; personeel dat er werkt is in principe inwisselbaar, mits opleidingsniveau en functieprofiel gelijk zijn”. Cliënten worden ‘behandeld’ voor hun ziekte of stoornis en de professionals hebben daarbij de teugels stevig in handen. De onderlinge verhoudingen zijn ondanks de mensgerichte retoriek in hoge mate asymmetrisch en gezelschapsvorming is een zeer schaars goed.

In het tweede gebouw dat Schout onderscheidt, staat die gezelschapsvorming juist centraal. Hij illustreert dat aan de hand van een aantal concrete praktijken, waaronder de Stichting Phusis. “Als reguliere zorg geen soelaas biedt en er een vastgelopen situatie is ontstaan waar perspectief ontbreekt komt Stichting Phusis in beeld.”. Deze stichting is opgericht om “perspectief te bieden aan mensen die tussen wel en schip zijn gevallen, meestal mensen met ernstige gedragsproblemen, alhoewel dat laatste woord relationeel opgevat wordt: “niemand is in zijn eentje gedragsgestoord”.

Op geheel eigen wijze gaat Phusis op zoek naar perspectief, door te focussen op mogelijkheden en niet op beperkingen. ‘Kan niet’ is geen optie. Het kan altijd’, is een van de leidende principe. Het antwoord op een vraag is dus altijd ‘ja, tenzij’. Andere leidende principes zijn “…jezelf mogen zijn met, met alles wat er is. We blijven bij je, wat er ook gebeurt. Je bent welkom.” Intense en verstrekkende vormen van gezelschappelijkheid staan hier sterk op de voorgrond.

Dit komt ondermeer tot uitdrukking in een ander principe, namelijk ‘samen leven’: “We vieren feest. We delen verdriet. We maken samen het leven mee. We organiseren op relatie. […] Niet de bewoner staat centraal, maar de relatie tussen de bewoner en medewerkers van Phusis. Beiden hebben hun opgaven in het leven. Beiden hebben steun nodig. Beiden kunnen niet zonder perspectief en hoop.” (Schout 2025, p. 43) Zoals op de website van Phusis staat: “Het bouwen van kleine contexten, voortkomend uit ont-moetingen is wat ons beweegt.”

Een tweede illustratief voorbeeld van een gezelschappelijke praktijk in de psychiatrie dat Schout memoreert, betreft de coöperatie Vriend GGZ. Die is in 2010 opgericht “om cliënten te helpen die het niet goed lukt om in de reguliere ggz hulp te vinden…Veel cliënten hebben slechte ervaringen opgedaan in de reguliere psychiatrie. Veelal rond onenigheid over medicatie, gedwongen zorg of een vermeend gebrek aan ziekte-inzicht…het ontbreekt deze mensen vaak aan een ondersteunend netwerk en dagbesteding. In de Vriendenhuizen kunnen cliënten op adem komen, tijdelijk wonen, begeleiding krijgen…en zich, gebruikmakend van hun eigen ervaringen, inzetten voor het herspelproces van hun medebewoners.” (Schout 2025, p. 38). Dat laatste is een cruciaal punt.

In gemeenschappen zijn een gedeelde culturele achtergrond, gedeelde waarden en overtuigingen en daarmee verbonden omgangsvormen, doorgaans het belangrijkste bindmiddel. Die spelen ook een rol in gezelschappen, maar belangrijker nog is hier het werk dat iedereen bijdraagt aan het floreren van het gezelschap, in welke gedaante dan ook. Het gaat in gezelschappen om mensen die niet alleen in relationele zin gezel zijn voor elkaar, maar ook in ambachtelijke zin en als gezel een eigen bijdrage leveren aan wat nodig is en goed werkt voor het gezelschap.

Bij Vriend GGZ “…werkt iedereen aan een eigen herstelplan, maar daarnaast ook aan sociale herstel: het opdoen van sociale contacten en een zinvolle dagbesteding, ervaring op doen met meerdere rollen (meer dan alleen hulpvrager), ontwikkelen van vaardigheden om anderen te helpen…Als een bepaalde diagnose of medicatiegebruik als helpend ervaren wordt voor een deelnemer of bewoners, dan wordt dat gerespecteerd. Verantwoordelijkheid nemen voor elkaar en voor je kwetsbaarheden staan op de voorgrond.” (Schout 2025, p. 39).

Dat incorporeren van diagnoses en medicatiegebruik wanneer die in de ervaring van de betrokkenen helpend zijn, is een belangrijk punt. Een gezelschappelijke psychiatrie is geen antipsychiatrie. De lange traditie van de psychologie en de psychiatrie heeft ook belangrijke inzichten en hulpvormen opgeleverd.

Maar in de reguliere GGZ zijn die ingebed in een medisch model, waarin de een de behandelaar is en de ander de patiënt. Een model waarin de een over een surplus aan kennis beschikt en de ander in de kern als onwetend wordt beschouwd ten aanzien van diens eigen vraagstukken. Ondanks alle goede bedoelingen, leidt dat al snel tot sterk ingeperkte, relationeel arme onderlinge verhoudingen.

Daartegenover is onderlinge gelijkwaardigheid een centraal uitgangspunt van gezelschappelijke praktijken zoals Phusis, zoals Vriend GGZ en alle daarmee verwante praktijken in ‘het tweede gebouw’. Die gelijkwaardigheid berust niet alleen op het expliciet erkennen en waarderen van het eigen leer- en handelingsvermogen van alle gezellen. Hij heeft ook een existentieel karakter.

Het uitgangspunt is dat bijna alle mensen in hun leven te maken hebben met psychische en sociale makke en met relationele problemen. Mensen die hulp daarbij zoeken, zijn niet ziek of afwijkend, maar worstelen met een intensievere versie van algemene menselijke vragen, met een meer intense versie van de trage vragen waar mensen in hun leven hoe dan ook geconfronteerd worden, zij het de een veel heftiger dan de ander.

Die existentiële gelijkwaardigheid betekent ook dat hulp zoeken en geven het karakter krijgt van een gedeeld leerproces. Het weten staat ten dienste van een gezelschappelijk leerproces waarin de antwoorden niet bij voorbaat vast staat en alle deelnemers iets belangrijks te leren hebben, ook de hulpverleners zelf.

Uit de prakrijken die Schout beschrijft rijst hiermee een ander ontwikkelingsperspectief op voor de GGZ, maar ook voor domeinen als de jeugdzorg en de verslavingszorg. In dat perspectief verschuift de nadruk op de superieure kennis en de technische expertise van professionals naar het relationele vakmanschap van gezellen die consequent werken aan relationele bodemverrijking, mede vanuit het besef van wat ze allemaal niet weten en gaandeweg in goed gezelschap proberen uit te vinden wat hier en nu kan helpen.

Dat relationele vakmanschap – prachtig begrip in mijn ogen – begint volgens Schout “met het onder ogen zien dat je als hulpverlener onderdeel bent van een weefsel van giften en wedergiften, dat anderen soms onvoldoende onderdeel zijn van zo’n steunend weefsel… Dat ‘zien’ is hier bedoeld als ‘er oog voor krijgen’. Het ambachtelijke werken in een gezelschappelijke psychiatrie begint met beseffen dat anderen jou doorlopend iets geven: door jou begrijp ik de wereld en mezelf een stuk beter.” (Schout 2025, p. 130).

Het is duidelijk dat een gezelschappelijke psychiatrie uit de aard der zaak geen panacee is. Maar wat een verschil zou het maken wanneer tien of twintig procent van het huidige GGZ-budget verschoven zou worden naar het bevorderen en ondersteunen van gezelschappelijke vormen van psychiatrie. Gezelschappelijke praktijken in de GGZ en in andere domeinen brengen niet alleen veel lagere kosten met zich mee en beloven in veel gevallen betere hulp. Bovendien zijn zij ook moreel gezien van groot belang: zij leveren een concrete bijdrage aan een meer gezelschappelijk ingerichte samenleving.

In het besef dat ik hiermee nauwelijks recht heb gedaan aan de rijkdom van het nieuwe boek van Schout en de grote betekenis van de verschuiving die hij bepleit, wil ik tot slot het morele belang van gezelschappelijke praktijken en de relationele wending die daarin naar voren komt nog wat verder uitdiepen.

Die betekenis berust in de eerste plaats op de verschuiving van individuele autonomie naar gezelschaps-vorming die daarmee verbonden is en in de tweede plaats op het los laten van verticale morele voorschriften en oordelen in het teken van goed versus kwaad, ten gunste van aandacht voor het deelhebben aan verarmende of juist verrijkende relaties en het daarmee verbonden verloop van persoonlijke levensgeschiedenissen.

De aandacht gaat dan vooral uit naar wat mensen missen wanneer ze in verarmende, complexiteit-reducerende relationele netwerken moeten leven en goed gezelschap zowel in relationele als in ambachtelijke zin ontberen. Dat is een belangrijk verschil met de nadruk op morele principes en morele plichten zoals we die kennen uit de grote religies en uit het Verlichtingsdenken van Kant en zijn geestverwanten, maar ook uit hedendaagse ecologische perspectieven die een minder destructieve en ‘duurzame’ levenswijze verplichtend proberen voor te schrijven.

In de horizontale gedaante van moraliteit die verbonden is met het streven naar gezelschapsvorming staat niet de morele plicht centraal, maar het morele appel dat uitgaat van de uitnodiging om bij te dragen aan goed gezelschap en aan het verrijken van de relationele bodem van ons bestaan. Het verrijken van die bodem omvat ook het aangaan van leerzame wrijving en van vreedzame begrenzing in de confrontatie met de conflicten en het onderlinge gedoe die hoe dan ook deel uitmaken van complexe relationele weefsels.

Tegen deze achtergrond valt nieuw licht op de eigentijdse roep om ‘een nieuw groot verhaal’ dat het vastlopende moderne ‘vooruitgangsverhaal’ zou kunnen vervangen. Vanuit gezelschappelijk perspectief gezien is dat geen goed idee, zo’n nieuw groot verhaal. We hebben het als mensheid al een aantal keren geprobeerd met ‘grote verhalen’, en dat is niet zo goed gegaan.

Mede in het licht van de wijdverbreide narratieve vervuiling in de politiek, in de massamedia en op de ‘socials’, hebben wij in mijn ogen vooral echte verhalen nodig. Verhalen die existentieel en relationeel betekenisvol zijn; die ons laten delen in de relationele spanningen en teleurstellingen die hoe dan ook bij het streven naar goed gezelschap horen, maar ook in de voldoening en de vreugde van goed gezelschap en de ervaring van gift en weder-gift. Het boek van Gert Schout staat daar vol mee.

Harry Kunneman

 

NB1: de vragen die ik hier heb aangesneden, worden verder uitgediept op een bijzonder congres rond het nieuwe boek van Gert Schout dat op donderdag 12 maart a.s. wordt georganiseerd in de Nieuwe Buitensociëteit in Zwolle.

Bekijk hier het programma
Bekijk hier de deelsessies
Meld je hier aan

NB2: De afbeelding bij deze post is ontleend aan een schilderij van de Culemborgse kunstenaar Henk van der Gronde. Zie zijn site