Harry Kunneman
Nu het droevige nieuws over het overlijden van Jürgen Habermas een beetje is ingedaald, voel ik de behoefte om zijn nagedachtenis te eren met enkele persoonlijke woorden. Habermas is decennialang mijn belangrijkste leermeester en intellectuele baken geweest. In de jaren zeventig van de vorige eeuw, vormde zijn werk een helder licht in het halfdonker van het platte marxisme dat toen op veel universiteiten de toon zette. Met het verschijnen van zijn roemruchte Theorie des Kommunikativen Handelns in 1981, werd dat licht voor mij een complete zon.
Voor mijn studenten maakte ik een samenvatting van dit o zo belangrijke maar moeilijk toegankelijke boek. En ik bouwde mijn proefschrift, De waarheidstrechter, op de hechte fundamenten van zijn theorie. Ik was verslingerd geraakt aan zijn gebeitelde Duits, zijn onwaarschijnlijk lange zinnen en zijn doorwrochte argumentatielijnen. Bovendien was ik diep onder de indruk van zijn enorme belezenheid en zijn hermeneutische vermogens. Tenslotte was ik overtuigd van de maatschappelijke en politieke betekenis van zijn denken. Net als veel anderen zag ik de ‘kolonisering van de leefwereld’ voor mijn ogen plaats vinden. De enige remedie daartegen, geloofde ik toen oprecht, was het versterken van het communicatieve handelen en het vergroten van de ruimte voor argumentatieve vormen van publieke meningsvorming. Toen ik in 1990 hoogleraar werd aan de Universiteit voor Humanistiek, vermoedde een oud-collega dan ook dat ik daar ‘een tempel voor Habermas’ zou willen bouwen.
(Tekst loopt door onder de afbeelding)

Dat pakte anders uit. In de tweede fase van mijn intellectuele ontwikkeling nam ik uiteindelijk in meerdere opzichten afstand van het denken van mijn leermeester. Onder invloed van postmoderne denkers zoals Michel Foucault en Jean-Francois Lyotard en feministische denkers als Luce Irigaray, was ik in de eerste plaats gaan twijfelen aan een van de grondslagen van het denken van Habermas: het primaat van de taal en het doorslaggevende belang van rationele argumentatie in het menselijke bestaan.
In mijn essay Postmoderne moraliteit uit 1998 schreef ik dat “…juist het nadenken over een rechtvaardiger samenleving…vereist dat wij rekening houden met ‘gaten in de taal’, dat wij onze ervaringen en gevoelens niet opsluiten in de talige benoemingen die wij daar steeds voor ontwikkelen, maar een ‘niemandsland openhouden, een overgangsgebied tussen het lichaam en de taal waar zich signalen kenbaar kunnen maken die ons op de grenzen van onze taal attenderen… [Dan kan zich] een ruimte van mogelijkheden [openen], waarin ons denken niet bij voorbaat rechten kan laten gelden, een ruimte waar het rationele ik niet langer gedragen wordt door het paard van de taal en af moet stijgen om te voet en op de tast verder te gaan.”
Deze twijfel aan het primaat van de taal en van argumentatieve leerprocessen, werd in de tweede plaats versterkt door mijn intensieve kennismaking met de ‘trage’ existentiële vragen in de praktijk van het geestelijk werk in gevangenissen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op de tast zoeken naar de juiste woorden was daarbij van groot belang, echter niet in de zin van argumentatieve meningsvorming of rationele argumentatie. Eerder ging het daarbij om ‘echte woorden’ zoals mijn collega Ton Jorna dat noemde. Om authentieke woorden waarin ook alles wat wij niet kunnen bevatten, wat onbegrijpelijk is en ‘te erg voor woorden’ (of te gelukzalig voor woorden) mee kan resoneren.
In het verlengde daarvan kwam ik tot de conclusie dat de theorie van het communicatieve handelen ook in een derde opzicht een belangrijke weeffout bevatte. In het voetspoor van Immanuel Kant en andere modern-humanistische denkers, gaat Habermas er vanuit dat wij mensen zowel verplicht als in staat zijn om uiteindelijk ’het kwaad’ uit de wereld te bannen. De betrokkenheid op gedeeld begrip, schrijft hij in zijn hoofdwerk, “wohnt als Telos der menschlichen Sprache inne”.
Empirisch gezien falen mensen maar al te vaak in het realiseren van deze inherente normatieve horizon van onze taal. Maar de historische ontwikkeling in zijn geheel beweegt zich – als het goed gaat – steeds verder weg van geweld, onrecht en uitbuiting, in de richting van meer rechtvaardige en meer democratische maatschappelijke verhoudingen. In het licht van zijn ervaringen als opgroeiende puber in een fascistische, door en door gewelddadige samenleving, is zijn insistentie op deze normatieve horizon van de menselijke taal begrijpelijk. Maar ik denk inmiddels dat die horizon, hoe prijzenswaardig ook, moreel gezien tekortschiet.
Mede geïnspireerd door het werk van Jessica Benjamin en Frans de Waal, vermoed ik dat het ons in moreel opzicht verder brengt wanneer we er vanuit gaan dat de verleiding om geweld te gebruiken en anderen te misbruiken en uit te buiten, even diep verankerd is in de grondstructuur van ons handelen als onze mogelijkheden om gelijkwaardig samen te werken, het bestaansrecht van anderen te respecteren en gedeeld begrip te bereiken. Wanneer deze morele meervoudigheid het uitgangspunt vormt, dan ondergaat ook de morele horizon een diepgaande verandering. Het gaat dan niet langer om het uitbannen van geweld, onrecht en uitbuiting tussen mensen, maar om het beter leren begrenzen van geweld en uitbuiting.
Deze verschuiving is mede ingegeven door een vierde beperking van zijn begrippenkader. Wanneer je zijn hele oeuvre overziet en alle fundamentele debatten verdisconteert waar hij zijn stempel op heeft gedrukt, dan denk ik dat Habermas terecht kan worden beschouwd als een van de allergrootste denkers van de 20e eeuw. Daarmee deelt hij echter ook de antropocentrische bijziendheid die bijna alle gezichtsbepalende filosofen uit de afgelopen eeuw kenmerkt: zijn werk gaat bijna uitsluitend over mensen. Andere levensvormen en de talloze relaties die mensen met hen onderhouden, komen alleen in de marge aan de orde.
Daarmee valt ook het onvoorstelbare geweld dat wij mensen andere bioten aandoen en alle rampzalige ecologische gevolgen daarvan grotendeels buiten zijn gezichtsveld, net als de specifieke morele leerprocessen die in het licht daarvan dringend noodzakelijk zijn. Op dit punt komen alle tekorten van zijn imposante denkkader bij elkaar. Om onze relaties met andere levensvormen te verbeteren en ‘te landen op aarde’, zoals Bruno Latour zegt, hebben wij ook en vooral andere menselijke vermogens nodig dan onze talige capaciteiten, in het bijzonder de vermogens die wij met veel andere levensvormen delen, zoals het vermogen om gelijkwaardig samen te werken, het vermogen om te spelen en het vermogen om conflicten te de-escaleren.
Ook al heeft mijn eigen ontwikkeling mij hiermee op andere paden gebracht dan die van Habermas, staan blijft dat zijn werk mij meer dan enige andere denker heeft gevoed en te denken heeft gegeven. Naarmate ik ouder word en de wereld om ons heen grimmiger, ben ik ook meer onder de indruk geraakt van de diepe overtuiging van waaruit hij zijn hele leven lang in woord en daad opgekomen is voor het belang van democratische grondrechten en van argumentatieve leerprocessen.
In een tijd waarin het dikke-ik aan het roer staat en het narcisme in vele gedaantes hoogtij viert, is dat misschien wel de belangrijkste erfenis die deze gigant ons nalaat: het vasthoudende geloof in de kracht van de democratie en de waarde van iedere stem daarbinnen, ook en juist de stemmen van degenen die binnen het dominante discours tot zwijgen worden gebracht. Daarom is en blijft Habermas mijn geliefde leermeester.
Harry Kunneman, 17-03-2026
